De formule van Riegel uitgelegd
Deze formule, in 1977 gepubliceerd door Peter Riegel, schat je wedstrijdtijd op de ene afstand op basis van een prestatie op een andere afstand. Ze luidt: T2 = T1 × (D2 ÷ D1) ^ 1,06.
De exponent 1,06 vangt iets op wat elke hardloper uit ervaring kent: je kunt niet hetzelfde tempo volhouden als de afstand verdubbelt. Een hardloper die 10 km in 50 minuten loopt, loopt geen marathon in 3:20, maar eerder in 3:50. Die exponent drukt de vertraging in een getal uit.
Waarom je de vermoeidheidsexponent moet aanpassen
De standaardwaarde 1,06 is een gemiddelde van getrainde hardlopers. Ze past niet bij iedereen en is de grootste bron van fouten bij wedstrijdvoorspellingen.
- Tussen 1,02 en 1,05: een duurprofiel, comfortabel op lange afstanden en met veel wekelijkse kilometers. Marathonvoorspellingen vallen dan sneller uit.
- Rond 1,06: de standaardwaarde, geschikt voor een regelmatige hardloper met een evenwichtige trainingsweek.
- Tussen 1,08 en 1,15: een snelheidsprofiel, scherp op korte afstanden maar met weinig kilometers. De marathon wordt merkbaar langzamer dan een sterke 5 km doet vermoeden.
Waar de voorspelling tekortschiet
Riegel voorspelt wat je huidige conditie toelaat, niet wat je trainingsblok gaat opleveren. Een marathonvoorspelling vanuit een 5 km gaat ervan uit dat je de lange duurlopen echt hebt gedaan: zonder die maakt de man met de hamer bij kilometer 30 de voorspelling betekenisloos.
De formule negeert ook hoogteverschillen, hitte, wind en de kwaliteit van het parcours. Zie de uitkomst als uitgangspunt voor een tempostrategie, niet als garantie voor de finish.